ETFAL onvoldoende onderbouwd bij binnenplanse omgevingsplanactiviteit (opa)
De voorzieningenrechter heeft in april van dit jaar een uitspraak[1] gedaan over de onderbouwing van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) bij de verlening van een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit (OPA).[2] Er moet volgens de rechter namelijk worden gekeken naar de maximale planologische mogelijkheden binnen het omgevingsplan. Nu dat niet was gebeurd werd het besluit vernietigd. Hoe dat zit, lees je hier.
Feiten
Een inwoner van de gemeente Olst-Wijhe (“appellant”) had beroep ingesteld en verzocht aanvullend om een voorlopige voorziening tegen een verleende omgevingsvergunning (OPA) voor het verhogen van een schutting. Volgens appellant kwam met het verhogen van de schutting van 1 naar 2 meter de verkeersveiligheid in de straat in het geding.
Het proces kent een voorgeschiedenis. Al in 2021 is er een schutting geplaatst van 30 meter lang en 2 meter hoog, nabij de toegang tot het perceel van appellant. Na een handhavingsverzoek heeft het college uiteindelijk een omgevingsvergunning verleend voor de schutting, maar met uitzondering van het deel van de schutting dat loopt langs de bocht in de toegangsweg. Dat kwam door de verkeersveiligheid. Er is daarom een last onder dwangsom opgelegd tot het verlagen van het deel van de schutting op deze hoek, tot een hoogte van 1 meter. Deze schutting is uiteindelijk eind 2022 verlaagd.
Vervolgens wordt er in 2025 opnieuw een omgevingsvergunning aangevraagd voor het verhogen van dit deel van de schutting van 1 naar 2 meter. Deze vergunning wordt verleend en staat centraal in deze procedure.
Spoedeisend belang
De aanwezigheid van een spoedeisend belang is een vereiste voor toewijzing van een verzoek om voorlopige voorziening. Er kan dan niet worden afgewacht tot de beslissing in de bodemprocedure. In dit geval zou de verkeersveiligheid in het gedrang komen zodra de schutting zou worden gerealiseerd. Er was daarom sprake van een spoedeisend belang.
Besluit
Met de beslissing op bezwaar is besloten om het besluit in stand te laten, nu uit drie verkeerskundige adviezen bleek dat het zicht in de betreffende bocht al vóór het plaatsen van de schutting beperkt was door de aanwezige hoge begroeiing. Daarbij ging het om een dichtgegroeide haag van 3 meter hoog. Een schutting van 2 meter levert in verkeerskundig opzicht geen wezenlijke verslechtering op ten opzichte van deze eerdere feitelijke situatie (de hoge begroeiing). Dat in de rapporten ook staat dat een schutting van 1 meter wel gunstiger is, betekent niet dat een erfafscheiding van 2 meter onaanvaardbaar is gelet op een ETFAL, aldus het college.
Gronden van beroep
Appellant voert twee gronden aan. Allereerst is de vergunde situatie niet anders dan de situatie zoals die in 2022 gold. Het college vond immers toen ook dat de verkeersveiligheid ertoe moest leiden dat de schutting in de bocht van de weg slechts 1 meter hoog kon zijn. Appellant acht het onbegrijpelijk dat het college hier nu van afwijkt.
Ten tweede lagen er dan wel aan het besluit drie onderzoeksrapporten met verkeerskundige adviezen van twee verschillende bedrijven ten grondslag, maar deze onderzoeken waren onjuist. In de adviezen wordt namelijk ten onrechte de schutting van 2 meter hoog vergeleken met de situatie van voor de plaatsing van de schutting eind 2021, toen er in die bocht op de perceelgrens geen schutting stond maar een 3 meter hoge haag. Er wordt aldus een verkeerde referentiesituatie gehanteerd, aldus appellant.
Beoordeling
De voorzienigenrechter is het eens met appellant. Het college heeft de verkeerde referentiesituatie gebruikt. Uit het omgevingsplan blijkt dat ‘een ander bouwwerk’ met een bouwhoogte van 1 meter is toegestaan. Dat betekent dat een bouwwerk dat maximaal 1 meter hoog is, in ieder geval in overeenstemming is met ETFAL en dus geen problemen met verkeersonveiligheid oplevert. Wil het college een hoger bouwwerk toestaan, zoals een schutting van 2 meter, dan moet die schutting worden vergeleken met het maximaal toegestane in het omgevingsplan.
Aldus had er een vergelijking moeten worden gemaakt tussen de schutting van 2 meter en de toegestane schutting van 1 meter. De eerder bestaande haag van 3 meter hoog is daarbij niet relevant. De onderzoeksrapporten zaten er daarom naast en zijn dus niet bruikbaar voor de onderbouwing van ETFAL. Een andere toereikende motivering, ontbreekt.
Uitspraak
De voorzieningenrechter bepaalt dat onvoldoende duidelijk is of er met de verhoging van de schutting sprake is van ETFAL. Het beroep is gegrond. De gemeente moet opnieuw op bezwaar beslissen, ditmaal met een zorgvuldige motivering waarbij de juiste referentiesituatie (lees: de maximaal toegestane mogelijkheden binnen het omgevingsplan) worden gebruikt.
Conclusie
Een aangevraagde vergunning moet in het kader van een ETFAL-beoordeling worden afgezet tegen wat op grond van het omgevingsplan maximaal mogelijk is. In dit geval gold dat ook voor de aanvraag van een OPA.
Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel? Wij denken graag met u mee!
Geschreven door Amy van Eijk
20 juli 2026
[1] Rechtbank Overijssel 13 april 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:2008.
[2] Vanwege artikel 22.281 bruidsschat geldt in de transitiefase toch een ETFAL-toets, ook al is art. 8.0a, lid 1 Bkl geformuleerd als een limitatief-imperatief toetsingskader.